Sam Francis leeft


- over de doorwerking van Sam Francis in het recente werk van Daan Lemaire -


- door J. Homacher -


Het zal een jaar of vier geleden zijn dat we met zijn drieën naar het Van der Togt-museum in Amstelveen trokken: Daan Lemaire, Ben Vollers en ik. Er was een uitgebreide tentoonstelling van het werk van Sam Francis. Zelf had ik toen wantrouwen naar zijn kunst; ik vond het te poezelig, te toevallig ontstaan en ik kon er weinig bewuste vormen in ontdekken. Ik vond het te 'licht' bovendien, te weinig existentiëel, om het even grofweg samen te vatten.

De tentoonstelling in het van der Togtmuseum was enorm uitgebreid en gevariëerd. Het gehele museum was door de werken van Sam Francis bezet en de kleuren gonsden om ons heen. We hebben er uren rondgezworven. Ik raakte diep onder de indruk van zijn werk, dat moet ik toegeven; ik had de man en zijn werk zwaar onderschat. Pas in de jaren daarna, doordat ik toen de inwerking van Sam Francis terug zag komen in Daan Lemaire zijn werk, begon ik iets te begrijpen van mijn vroegere voorbehoud.

Te zeggen valt er weinig over het werk van Sam Francis, maar vooral van alles te zien. Het werk heeft voor mij een heel energieke en levensbevestigende kleur- en vormkracht. Het is kunst om te zien, om te ondergaan; kunst die visueel en emotioneel tot je door wil dringen. Dat moet je ook de tijd geven. Maar die zwijgend-kijkende en ontvankelijke kant in mezelf strijdt vaak met de kant die over de kunst wil praten; die al denkend-pratend-kijkend toegang zoekt tot het schilderij. Die mogelijkheid wordt me ontzegd bij de kunst van Sam Francis, - trouwens ook bij Daan Lemaire zijn abstracte werk, met name in zijn recente gouaches -.

Er valt niets meer te zeggen of te denken, want dat deel in mij wordt op non-actief gezet als ik voor een werk van hen beide sta. En ik kan alleen maar zwerven met verliefde ogen over de kleurvelden en - schakeringen, die in allerlei toonsoorten zijn neergezet (of neergevallen / neergespat)op het papier. Ik kan dan alleen maar beeldend denken! Dat geeft een licht onbehagen. Maar de uitstraling van hun werk is ongekend fris, energiek en helder, en levenslustig vooral! Hun fantasieën zijn volstrekt visueel, er valt geen woord. Voor Daan Lemaire lijkt de gouache-verf daarbij het ultieme medium te zijn, want het is een uiterst direct medium. De gouache-verf kan dekkend èn transparant neergezet worden, met alle schakeringen daartussen. Het is een heel beweeglijke verf die moeiteloos de kwast en de hand volgt als de naald van een seismograaf. Door die gevoeligheid slaat zich in het werk op het papier iets op van de bewegingen van de hand die schildert. Dat blijft voor mij als kijker tenminste zichtbaar.

Ik zie dat Sam Francis met zijn grote vanzefsprekendheid en zijn energieke schilderskracht zich in het werk van Daan Lemaire heeft voortgezet gedurende de laatste drie, vier jaren. Dat kan natuurlijk alleen als er iets daarvan al aanwezig was. Een schilder die op een ander doorstraalt, dat is te zien als een visueel herinneren, als een levende sluimerende ambitie die wordt wakker geroepen. Er wordt iets opgeroepen wat al aanwezig was. Zo zet Sam Francis zich in Daan Lemaire door als een pure schilderkracht, en dat vind ik ontroerend om zo duidelijk te zien. Het is de grote beweging van de menselijke evolutie die zich laat zien in de vorm van een kleine kristal.

Tussen de twee kunstenaars bbetsaan er beslist duidelijke verschillen! Het werk van Daan Lemaire is minder brutaal-plat. Het suggereert meer de diepte en de inwendige ruimtes, door de vele transparanties en vervagingen die hij inzet. Daan Lemaire is meer de 'wolken-schilder' (Rilke), en daarin beslist ook de Hollandse schilder die het getemperde en gefilterde licht in zichzelf niet kan of wil ontkennen. Zijn werk is altijd al sferisch geweest, zolang als ik hem ken. Je kan met je Hollandse ogen erin gaan en weer eruit. Sam Francis geeft me in zijn werk de indruk dat hij wil dat ik met mijn ogen eerst flink tegen zijn vaak dekkend neergezette, dichte spatten en verfzetten aanknots. Daarna pas mag ik zoeken naar de toegang tot een inwendige ruimte, voor zover die er is.

Daan Lemaire kan dat platte schilderen niet; hij heeft dat niet in zich, voor zover ik hem ken. Het is hem, vermoed ik, te brutaal en te ongenuanceerd. Daar moeten dieptes voor hem gaan ontstaan op het papier; ruimtes moeten er tevoorschijn komen. En er is altijd veel gradatie in toon, anders wordt het niet zijn schilderen; er staat weinig in één kleursterkte bij hem. Hij wil ons uiteindelijk toch meer de 'illusie' meegeven en minder de leterlijke 'verf'. Sam Francis wil dat óók natuurlijk, maar dan moet je eerst op zijn platte verf stuiteren, dan pas mag je zwenken. Bij Lemaire mag je meteen binnenkomen in zijn illusies van atmosferische ruimtes. Onze ogen gaan er als vanzelf dwalen en zwieren, als vogels. Hij biedt voordurend zijn vele suggesties dat we ook achter de wolken kunnen kijken, zelfs dwars erdoorheen. Hij is eigenlijk een impressionist, kortom, en een visuele Platonist! Om hier maar flink wat termen neer te zetten, die onvermijdelijk door het schilderen zelf altijd weer worden onderuit gehaald.

Het is wonderlijk om te bedenken dat Lemaire zijn gouaches schildert in een ongenadig t.l-licht, op een vrij donkere atelier op de begane grond. Het doet mij denken aan een bewust afzien en buitensluiten van het ademende, natuurlijke daglicht. Wellicht wil hij die werkelijheid die hem te intensief is buiten de deur houden? Omdat hij zijn eigen aarzelende werkelijkheid tot stand wil laten komen? Wil laten aangroeien in zijn gouaches? De grote natuur is vaak de grootste concurrent voor de kunstschilder. En als een gouache van Lemaire dan klaar is, en in het natuurlijke daglicht terecht komt - ik zag ze zo onlangs in het prachtige Glazen Huis in het Amstelpark hangen - dan pas lijken ze te beginnen met aan het werk te gaan. Alsof de atmosferische en lyrische kracht erin tijdelijk is opgeslagen en slechts vrij wil komen met de kus van het licht van de dag. Dan wordt ook ineens de sterke verbinding tussen zijn gouches en zijn glas-fusion-beelden zo zichtbaar.

Wat me de laatste drie jaar in het schilderen van Daan Lemaire zo treft is de grote onbekommerdheid die in het werk is gekropen. Ik zie en ervaar dat de verfspat of verfstreek onbekommerd op het papier is terechtgekomen (bijna 'gevallen') en daar als vanzelf zijn relatie vindt met die andere vegen, strepen en spatten, of met de zo belangrijke wit gehouden plekken van het papier. Dat weet ik zeker: iets van die onbekommerdheid bij hem is wakker geroepen toen, bij het rondzwerven in het van der Togtmuseum, tussen al die werken van Sam Francis. Je voelt bijna geen opzet meer; het schilderij hangt er bijna als toevallig aan de wand als een wolk, en even toevallig loop ik als kijker erlangs: 'verrek..... wat hangt daar..., wat een kleuren daar, en wat een gemors en gespat en geklieder, ja wel vrolijk, ja, dat moet ik toegeven'. En daarna pas begint het zwijgen in het hoofd en het echte, zwervende kijken, zonder al de tuimelende woorden.

Sam Francis heeft bij Daan Lemaire iets losgezongen. Er is een vanzelfsprekendheid in zijn kunst geroepen, en een verrukkelijke onbekommerdheid die mijn ogen verwarmt, telkens als ik zijn werk zie.


Jean Homacher