‘Vier schilders
 Vier visies’


een expositie-tekst: 
door Aernout Hagen, kunsthistoricus en medewerker aan het Museum Het Rembrandthuis te Amsterdam


Precies over een maand is het weer zover. Dan is het afgelopen met de zomerexposities in de Oranjerie en moet de kunst weer plaatsmaken voor de natuur. Dan worden de bomen en planten in hun kuipen hier naar binnen gedragen. Veilig voor de winterkou. Een oranjerie was ooit iets voor de betere stand.  Een eigenaar van een landgoed kon pronken met exotische gewassen uit verre landen. De plek waar we nu staan, maakte oorspronkelijk deel uit van het landgoed Amstelrust. Een oranjerie had daar zeker goed bij gepast. Maar déze werd pas gebouwd in 1972, toen het Amstelpark als onderdeel van de Floriade werd aangelegd. Net als bijvoorbeeld het spoortreintje, de Rhododendronsvallei en het Rosarium, is het een overblijfsel uit die tijd.

De beroemdste oranjerie is, denk ik, die bij het Louvre in Parijs. Ook daar kwam op een bepaald moment de kunst naar binnen. Het werd zelfs een museum. Vroeger kon je daar bij helder daglicht en lopend over krakende vloeren de impressionisten bewonderen. Maar de meeste zijn verhuisd naar het Musée d’Orsay of naar de kelderverdieping. Boven is er nog één overgebleven en die heeft een ereplek gekregen. In twee ovalen zalen zie je daar op acht enorme doeken de waterlelies geschilderd door Claude Monet in zijn eigen tuin. Op meesterlijke wijze heeft hij weergegeven hoe het zonlicht speelt door het water. Alles lijkt vloeibaar en transparant. Tegelijk is de kunst niet ondergeschikt aan de natuur. De verfstreken mogen worden gezien. Sommigen beweren zelfs dat dit het begin is van de abstracte kunst.

 

We zijn nu 100 jaar verder. We zien hier het werk van vier schilders. Het zijn Charlotte Burgmans, Fons Heijnsbroek, Daan Lemaire en Ben Vollers. Zeker voor Fons en Daan is de kunst van Monet op een bepaald moment in hun schilderscarrière een bron van inspiratie geweest. Maar er is nog iets en dat is volgens mij essentiëler. Dat is iets wat alle vier nog steeds bezighoudt, ieder op z’n eigen manier en wat ooit bij Monet is begonnen. Het is af te lezen aan het werk. Het belang dat zij alle vier hechten aan transparantie, openheid, vloeibaarheid, aan atmosfeer.

 

Charlotte Burgmans heeft er zelfs een heel eigen techniek voor ontwikkeld. Haar transparante kleurenpracht verkrijgt zij door op een plat liggend doek laagjes verdunde olieverf aan te brengen over een onregelmatige grondlaag. Zij houdt de verf zo lang mogelijk vloeibaar en duwt de pigmenten tot hoopjes of verspreidt ze juist, zodat ze uitvloeien en doorschijnend worden. Alles staat ten dienste van haar onderwerp.

Dat zijn bomen, bomen waar je op moet inzoomen om de rijkdom van de huid te kunnen ervaren. Meestal spelen twee bomen de hoofdrol.

De contouren zijn vaak gebroken, nooit hard, in groenig bruine tint, soms wollig uitgevloeid als Chinese inkt. De takken grijpen omhoog, naar links, naar rechts, sierlijk om elkaar als in een zwoele dans. Er is nauwelijks een doorzicht, stammen in aardetinten staan dicht tegen elkaar en vullen de achtergrond. Soms zijn felle kleuren gebruikt, zoals een paarsachtig blauw, een spookachtig oplichtend geel of een fris groen. De bast van de stammen bevat talrijke details zoals subtiele tintverschuivingen en krassen als de verweerde wand van een oeroude grot. Ook het vernis is bijzonder, soms is het glanzend, dan weer dof of zelfs krijtwit alsof het daar geschuurd is.

 

Ben Vollers schildert ook in dunne lagen over elkaar. Hij heeft vaak over eerdere schilderingen heen geschilderd, maar ze niet helemaal weg geschilderd, zodat ze onder de bovenlagen zichtbaar blijven. Zijn werk lijkt een archeologische opgraving waar oudere lagen door jongere heen schijnen. Kijk maar eens naar het werk ‘Ovidius’ waar een hekwerk van horizontale en verticale rode lijntjes schemert door het wit. Bij zo’n titel van een historische figuur ga je natuurlijk op zoek naar verhalende elementen. Andere titels verwijzen naar geografische plaatsnamen met een rijke historie en vrouwen uit de klassieke mythologie. Elektra, Iphigeneia, Antigone: allemaal dramatische verhalen. Zouden die bloedrode verfdruipers verwijzen naar het gruwelijk offer van de arme Iphigeneia die door haar eigen vader naar Aulis werd gelokt met de smoes dat ze zou gaan trouwen? En mag je in het in een blauw vlak opgesloten figuurtje Antigone herkennen die zich heeft opgehangen, nadat ze in een grafkelder was opgesloten, alleen maar omdat ze het lijk van haar broer wilde begraven? Ja, dit zijn geen luchtige vertelseltjes voor het slapen gaan. Een onleesbare boodschap lijkt eroverheen gezet, in oplichtende tekens, quasi slordig als door een haastige ooggetuige die het drama heeft willen vastleggen. Ben schildert veel in vlakken. Maar de vlakken worden van hun scherpe hoeken ontdaan, het felle rood en heftig blauw met wit verzacht, alsof de tijd eroverheen is gegaan. Als zichtbare sporen van een ver verleden.

 

Daan Lemaire exposeert gouaches. Daar speelt al veel minder het materiële dat olieverf op doek nu eenmaal heeft. We ervaren sfeer en atmosfeer van in wolken uitgevloeide verfdruppels. En alles blijft fris en helder door het wit van het papier dat er doorheen schittert. Er is geen centrum, geen hoofdrolspeler, wel een balans van vaak niet meer dan twee of drie kleuren, in elkaar vloeiend of afgezwakt met een dekkend wit. Het lijken onwillekeurige verschijnselen uit de natuur, slechts hier en daar bewust richting gegeven met penseel, met de hand of door het manipuleren van het papier. Ze hebben iets feestelijks, deze werken. Je kunt er muziek bij horen, misschien zelfs een dans bij verzinnen of een optocht van muzikanten en vrolijke mensen eromheen. Een optocht die nadert, vlak voorbij gaat en weer geleidelijk naar de verte verdwijnt. Warm rood wordt zacht rood, wordt roze en wit. Soms is het pigment droog aangebracht met korrels en puntjes. Soms juist met veel water, vloeiend en gloeiend als het effect van zonnestralen in een doorzichtige edelsteen. Bij een paar werken overheerst alleen de kleur blauw. De vormen lijken op omhoog komende golven in een onstuimige zee. Druppels spatten daarboven uiteen in een open wit. De vormen zwiepen omhoog, vullen het vel, maar houden steeds hun immateriële transparantie.

 

Van Fons Heijnsbroek zien we grote acrylschilderijen en kleine gouaches op papier. De gouaches gaan aan de grote doeken vooraf. Ze zijn experimenteel, uitprobeersels, kleine verrassingen. Anders dan op de grote doeken zijn de vormen meer in zichzelf gekeerd, intiemer. Ze zijn ook minder over het vlak verspreid dan bij Daan. Alles speelt zich in het centrum af, de randen blijven leeg. De vormen lijken organisch. De kleuren zijn vaak zuiver aangebracht, ze mengen pas op het papier. Dat zorgt voor mooie effecten, vooral waar de partijen transparant over elkaar heen vallen, als sluiers die hun geheimen gedeeltelijk prijsgeven.

Op de grote doeken zien we felle kleuren op wit. Het wit is niet het wit van een egale grondlaag. Het is dun geschilderd en als het oppervlak van een vijver zitten er kleurvlakken en lijnen onder. En dan volgen de felle kleuren daar bovenop. De verf is met een breed penseel aangebracht, maar toch niet dik of dekkend, eerder open, vloeibaar, zelfs druipend en - net als bij de gouaches - ruimte latend voor onderliggende kleuren. Er is geen hoekigheid. Alles lijkt organisch, als een exotische plantenwereld of de botten van een ontzagwekkend dierenskelet. Ook hier heerst vooral veel vrolijkheid, een bruisend feest van warme kleuren, rood, oranje, geel. Improviserend aangebrachte lijnen van zich omhoog richtende figuren, dansend in een kring op swingende jazzmuziek.

 

Vier schilders, vier visies. Maar toch met overeenkomsten. Het vloeibare en transparante is bij ieder terug te vinden. En waar kunnen zulke werken beter geëxposeerd worden dan in een totaal transparante ruimte. Met als laatste laag de zichtbare achtergrond van de bomen en bladeren van het park. En onder invloed van daglicht dat elk moment weer anders is. Claude Monet had hier volgens mij met genoegen rondgelopen. Ik wens u veel plezier bij het bekijken van de tentoonstelling.

                                                                           

 © 2009 Aernout Hagen